Broer

 

Sommige dingen kun je beter in de kast laten liggen. Of in de schuif, tussen de gestreken hemden en broeken ergens verkreukeld achterin gemoffeld. Daar blijft het vervolgens dagen of zelfs jaren liggen. Heel soms wil het wel eens dat je de lade voorzichtig openschuift. Gewoon, om te kijken of het er nog ligt, om er even aan te snuffelen, weifelend, fronsend. Om het daarna weer op te bergen, in een verfrommeld klein bolletje terwijl je weet dat het daar zal blijven liggen. Het zal niet zoek raken, zoals de sokken in de wasmachine. Het zal niet verdwijnen, niet verteren, niet geruisloos wegsluipen. Vandaag doe ik de kastdeur open en neem ik het zelfs in mijn handen, voel  eraan, wil het uitschelden, vertrappelen, bevragen en weer vergeten. Mijn broer. Hoe ondenkbaar, dat het schrijven van slechts vijf letters mij het zweet in de handen doet staan, mij het schrijven doet staken en dat het binnenkomt als een kanonslag. Mijn broer, mijn broer. Ik heb geen broer. Jawel je hebt wel een broer. Maar hij heeft je kind nog nooit gezien. Daar kan hij niks aan doen. Maar het is mijn broer. Hij kan het niet. Maar het is mijn broer. Hij kan het niet. Ik zie mijn broer na twee jaar terug op een terras. Het gaat hem niet goed. Het valt niet uit te leggen. Maar het valt hard. Ik praat. Dat we misschien eens naar een concert moeten gaan? Of zo? Muziek, dat ging bij ons, weet je nog, ik die in het ziekenhuis lag, jij gaf me een CD van Will Smith, Will Smith notabene, op mijn discman heb ik hem honderdmaal afgespeeld voordat ze me kwamen halen voor de operatie. Dat was jouw zorg voor mij, verdriet verpakt in een vierkant doosje. Mijn broer, dagboeken vol scheldwoorden, waarin ik verwenste dat hij niet bestond, tranen van boosheid huilde voor zijn gemene streken. En toch was het zijn naam die ik riep tijdens het diepe delirium na mijn narcose, hij die het eerste naast mijn bed stond, schuchter, onhandig, de woorden niet vindend, kort en sprakeloos: mijn broer. Ik zit tegenover hem en ik zoek iets van verbinding, connectie, iets wat het plots allemaal goed kan maken, de oom voor mijn kind, een lachende broer, de oom voor mijn kind. Hij kan het niet. En dus vinden we allebei dat we het eten wat we niet op kunnen, mee moeten nemen: een doggy-bag als ultiem bindmiddel, wat ons daar gaande en staande houdt. Weet je nog, in de auto onderweg op vakantie, we zongen: ‘insmeren met leverpastei en uitsmeren met een banaan’. En de vangrail, weet je nog, die noemden we de kleine wit, al wist ik nooit waarom. We zagen dingen die niet moesten, jij iets meer dan ik, pijnlijke dingen voor ergens in diepe diepe laden, mama woont hier, papa woont daar.  En soms, door oranje-roze kiertjes van onze vingers zagen wij het: de mouw van papa’s jas hing over die van mam. Twee troostende en treurende mouwen aan de kapstok in de gang. Ik vertel mijn zoon dat ik een broer heb. Dat het hem niet zo goed gaat. Een broer. Hij kan het niet. Hij kan het niet. Na het terras ga ik naar huis met mijn doggy-bag. Ik houd hem goed vast, snuffel eraan, wil het uitschelden, vertrappelen, bevragen en vergeten. Eenmaal thuis wil ik het nog een keer vastnemen voordat het teruggaat in de schuif, voordat ik het oprol en verberg en ik de woorden weer bewaar voor later. Dus sluit ik mijn ogen en denk aan alles wat niet zal zijn wat nooit veranderen zal en ik denk: ‘zo is het’. En schrijf zijn naam, zwart op wit: broer broer broer opdat ik weet dat hij bestaat. Mijn doggy-bag al verteerd en vergeten.  Leverpastei. Kleine wit. Will Smith. Mijn broer.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s