keer de nacht om

 

Keer de nacht om, keer het zacht om.
Draai of keer het hoe je wil

Draai de nacht om draai het zacht om
adem uit en doe het stil
verdraai de dagen en minuten in
jouw hand
keer ze om en draai ze zachtjes naar jouw
kant

Draai en duizel duikel diep de dagen in
Dompel dieper daver wacht niet maar
begin
metsel muurtjes hoop en moed voor bange
dagen
draai het om
keer het om
draai het om

Keer wat wacht om draai wat je dacht om als
je kan
draai en duw maar rol de dingen met verstand
leg het mooiste plaatje aan de bovenkant
Draai het om bekijk het van de
onderkant

Grijp de nacht beet andersom ondersteboven
waak en weifel, wens teveel en wankel vaak
Omhels en draag de omgekeerdheid met een lach
Bouw aan torenhoge stilte draag de
dag

Draai die kracht om draai haar zacht om
hoeft niet vlug
draai het gedacht om keer het zacht om als je lacht
leg het mooiste plaatje boven kijk niet terug

Keer die nacht om draai haar zachtjes op de
rug
Keer die nacht om draai haar zachtjes op de
rug
liedtekst/gedicht/…..
tekst en muziek
Femke Bauwens

Verglittering (ode aan kerst)

Er moet weer diep gezocht en gewroet worden om de kerstspullen naar boven te halen. Ik verdenk me er van dat ik ze expres onder de trap zet in de kelder. In de hoop dat ik ze per ongeluk vertrappel als ik ze ga zoeken. Al hoef ik daar niet veel voor te doen. Kerstballen gaan altijd stuk. Als je goed kijkt, zit er slechts een laagje glans op en dat heb je er met je nagel zo afgekrabd. Deuken in ballen zijn niet ongewoon. Het probleem met een kerstbal is dat alles er net iets te veel in wordt uitvergroot. Er wordt iets in weerspiegeld wat ik eigenlijk liever niet in de boom hang. Lichten zijn altijd te fel, kerstkransen te zoet, avonden te lang. Men zal zeggen dat ik verbitterd klink. Dat kan. Men zal zeggen dat ik moet stoppen met zagen en gewoon die ballen in de boom moet hangen zoals een echt gezinsmens betaamd. Dat het toch ook maar even duurt. Ik ken geen enkel even dat zo lang duurt. Veel te lang. Teveel bal, teveel boom. Ik heb het wel echt geprobeerd. Ik heb geprobeerd kerst te omarmen. Ieder jaar staat er een boom. Maar ik kan mij niet aan de indruk onttrekken dat ik het gevoel heb dat kerst mij niet wil omarmen. Ten eerste is altijd iets met de boom. Te krom. Te kaal. Teveel naalduitval. Bal-uitval, de een na de andere stuitert eruit. Vervolgens doe ik ieder jaar mijn best met de kerststal. Het stenen kindje Jezus rol ik al jaren in klappertjespapier wat niet meer klappert, met als gevolg dat er stukjes Jezus in de kribbe liggen. Jozef ziet er al lang niet meer zo blij uit als pakweg 2000 jaar geleden. Toch zet ik ze dapper knusjes bij elkaar. Aangezien de schapen op mysterieuze wijze uit de kelder zijn verdwenen laat ik mijn zoon schapen van lego bouwen. Dat vind ik leuk. Het zou bijna leuk worden, als je plots beseft dat je met twee gescheiden gezinnen maar liefst drie kerstdagen hebt. Drie. Al na de eerste zitting lijd ik al aan bal-en kalkoenmoeheid. Ik voel me geboom-bardeerd en kan geen geel gefonkel meer zien. Ik weet wel dat ik niet de enige ben. Dat er redenen voor zijn. Dat ik stiekem best wel zou willen kunnen genieten van een kerststronk. Dat het eigenlijk ook allemaal wel verdrietig is, maar dat kerst dat mooi verpakt. Plots zitten er overal laagjes over. Laagjes lach. Kerst is kaka met een strik erom. Kerst is bittere, glitterernst. Ja. Dat klinkt verbitterd. Maar het is meer dan dat. Geen verbittering, maar verglittering. Overal moet cadeaupapier rond. Eenzaamheid wordt vrolijk verpakt in kerstmutsen-rood. De verlichting schijnt op wat zich uit wil laten schijnen. Wat zich niet toont, zit in de proppen papier achteraf, in de verkreukelde slinger die dit jaar niet in de boom mocht, in de restjes kalkoen in de vuilnisbak. Als je goed kijkt, zit daar de echte kerst. En omdat ik wel van die echte kerst houd, ga ik op mijn buik liggen en kijk ik naar de lego-kerststal van mijn zoon waar een halve Jezus zonder benen in ligt, een Maria met helm en een Jozef met een astronautenpak. Ik voel een kleine kerstmis in mij, zo eentje waar je goed naar zoeken moet. Ik wil geen zingende kerstman in de Colruyt met Sinterklaas. Ik wil Bert en Ernie’s kerstwindje horen. Ik wil Royco Minute kerstavondsoep. En volgend jaar zet ik mijn kromme boom met broze ballen. Die weer glansrijk zullen  vallen.

Tegenliggers (blikschade) liedtekst

ik heb je wel zien komen maar
ik was wat afgeleid
je knipperlichten in de verte gaven mij wat
tijd
de vangrail blonk zo helder wit mijn gordel
losgemaakt
en ook al bots je niet frontaal je hebt mij
geraakt

tegenliggen, liggen tegen liggen tegen jou
ben allrisk verzekerd als ons iets gebeuren zou
tegen jou liggen duwen praten liegen liggen tegen jou
gewapend tegen triggers zijn wij

tegenliggers

de lichtstralen van onze lampen raken
elkaar aan
er is maar een manier om jou nog uit de weg te gaan
je spookgerij zigzaggerij zijn pure
heldendaden
dat jij me ziet geeft krassen ik heb ernstige ernstige
blikschade

tegenliggen, liggen tegen liggen tegen jou
totdat ik weer uitgedeukt in jou verdwijnen zou
tegen elkaar liggen liegen keren sneren liggen tegen jou
liggen blijven tijdens triggers zijn wij

tegenliggers

krassen schrammen total loss
tegenligger remmen los
ben in panne in de fik
brandweer help me
want ik stik want ik stik

tegenliggen liggen tegen liggen tegen jou
gehavend wachten op de takelwagen in de
kou
tegen elkaar liggen op mijn knieën schoppen tieren
tegen jou
ons wapen tegen triggers wij zijn
tegenliggers

 

tekst en muziek: Femke Bauwens

Wisselspoor (liedtekst)

Je kent het wel:
de stomp in je maag van de liefde
om je oren slaande zinnen
blauwe plekken van de hartstocht: hoe je dan ligt
met ogen dicht

En onophoudelijk fluistert
in de hoop dat iemand luistert
Red me, red me:
en dat iemand je dan redt

dat er iemand op je spoor zit, zomaar meerijdt, naar je zwaait
hoe het weer wegdraait en wegwaait
op het wisselspoor
trein staat stil, altijd vertraging, perron is leeg
trein staat stil, altijd vertraging, perron is leeg
trein kom vlug
alleen de automaat geeft lauwe koffie
en geen muntjes terug

je kent het wel:
woorden kruipen, sluipen waar je hart niet aan kan
treinen rijden door
waar jij niet gaan kan
en ik zie de traagheid in mezelf ik verweer me
bezeer me en geneer me
Conducteur, hier is mijn kaartje knip maar door ik rijd door
met de sneltrein van tien uur tien
wie al weg is wordt niet meer gezien
ik stond daarnet nog in de zon op het perron
en kocht een koffiebroodje
trage tikken van de klok tijd
doodt je tijd doodt je

en dat iemand op je spoor zit, zomaar meerijdt, naar je zwaait
hoe het weer wegwaait en wegdraait op het
wisselspoor
trein staat stil, altijd vertraging, perron is leeg
trein staat stil, altijd vertraging, perron is leeg
trein kom snel
alleen de oude man met koffer draait zich om
en zwaait weer wel

je kent het wel:
het is behoorlijk deprimerend en niet bijster
inspirerend maar die stoptrein die stoptrein
stopt voor elke lantaarnpaal maar nooit voor mij
Ik wil geen abonnement op een vertraagtrein
op een eindeloos refrein

Wil dat iemand op mijn spoor zit, zomaar meerijdt, naar me zwaait
hoe het weer wegwaait en wegdraait op het
wisselspoor
Wil dat iemand op mijn spoor zit, zomaar meerijdt, naar me zwaait
hoe het weer wegwaait wat ik verloor
op het wisselspoor
trein staat stil, altijd vertraging, perron is leeg
trein staat stil, altijd vertraging, perron is leeg
trein kom hier
alleen de broodjesverkoper
lacht en vertraagt
met plezier
met plezier

tekst en muziek: Femke Bauwens

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Schuimspaan in de la (liedtekst)

Schuimspaan in de la
Ik wist niet eens wie je was
Past amper in mijn lade
wist niet eens waarvoor je diende voor de soep
of voor de salade

Schuimspaan in de la
ik voel me vaak net als jij
ik wist niet hoe je heette
en je wordt zo vaak vergeten met je
gaatjes lijk je soms een beetje
stuk

Schuimspaan in de kast
hoe gaat het met jou
voel jij je onbegrepen net als ik soms
als een last als iedereen op zaterdag een barbecue heeft
en jij niet

Ik wil liggen in de schuif naast jou
praten over dingen die ons drijven in het nauw
ben je gelukkig
naast het broodmes en het draaidingetje
draaidingetje draaidingetje
dat in de mixer moet

Schuimspaan in de gootsteen
voel jij je soms ook alleen
ik wil je leren kennen ook al moet ik soms wat wennen aan
je naam en dat je het schuim uit mijn erwtensoep geschept hebt
vandaag

Schuimspaan praat met mij
ik ben ook slechts huid met gaatjes
en ook een beetje stuk en op zoek naar wat geluk
ik leg me naast de knoflookpers erbij denk aan het leven
zij aan zij

ik wil liggen in de schuif naast jou
En praten over dingen die geen mens begrijpen zou
ben je gelukkig
naast de lepel en de opener de opener de opener
die niet meer opent

 

tekst en muziek: Femke Bauwens

 

 

 

Vouwfiets

Toen ik in de rij stond bij de fietsambassade voorvoelde ik al dat dit geen goed idee was. Dit type fiets. Ik kon mijn eigen was niet eens vouwen, laat staan een fiets. En hoe plooibaar was ik zelf wel niet helemaal? Ik leed al aan een zware vorm van het strandstoelsyndroom (ongekende razernij gecombineerd met een verwoestende treurnis wanneer ik iets niet in elkaar gezet kreeg) dus dit was niet bepaald weloverwogen. Maar eens een klein motortje begint te draaien, wil je rijden. Hard en roekeloos. Direct bergaf, met stoere middelen. Ik mocht eerst buiten oefenen, dat had hij gezegd. Ik zei hem dat ik aan dispraxie leed, zo’n stempel rekende direct op meer sympathie waardoor hij een rij liet wachten en het stuur tot vijf keer toe in en uit plooide tot ik het begreep.
Toen buiten. Ik smokkelde mijn fiets naar een achterkoertje want ik wist dat mijn onorthodoxe wijze misschien op onbegrip zou stuiten. Daar zuchtte ik diep. Dit was een queeste, een missie. Ik vouwde mezelf zo groot mogelijk uit, het kon maar helpen. De stang. Hendeltje omhoog, pinnetje in en klik. Die kwam niet. Nog eens. Een klik in mijn hoofd, niet in de pin. Shit. Fuck. Ik keek om me heen. Hier begon mijn eigen methode. Ik legde de fiets neer en ging erop zitten. Dit kon niet de bedoeling zijn. Teruggaan was geen optie.  Ik duwde en wrong, wilde erop staan, stampen, trappen maar kon mij net bedwingen, wilde mezelf opvouwen en in een la leggen, met fiets en al. Dan toch afdruipen, kin omhoog, schaamte opgeplooid.; ‘tja, niet zo handig he?’ Weer een uitleg, knikken en slikken, terug naar buiten, ja het was plooibaar, er ontvouwde zich stilaan weer mogelijkheden, wegen, het leven werd weer voor mij uitgeklapt als een strandstoel en zigzaggend fluitend fietste ik terug. Bij het station een nieuw euvel. Eenmaal uit, ging het niet meer in. Zo gaat het wel vaker met dingen. Ze vouwen zich als een tweesecondentent voor je uit, maar dan, terug erin, het is een strijd, een weten dat het nooit meer wordt zoals het was, hoe je het ook draait of plooit. Dat het wezenlijk van vorm verandert. Dat het nergens meer in past.   Daar stond ik, ge-sandwicht als een hotdog tussen een geknakte fiets.  Er zat een dakloze dubbelgevouwen op een stoepje. Hij keek. Verkreukeld, onbehouwen, ongevouwen. Hij zag eruit alsof hij eens nodig gestreken moest worden. Maar hij stond op, vouwde zich uit en sjorde aan mijn stang. De klik kwam. Ik veegde een traan weg.  ‘Ik vouw van jou!’ wou ik hem naroepen, zo blij als ik was met deze dappere daad.  Toen de trein. Trots als ik was staarde ik de hele rit naar het achterwiel van mijn nieuwe vouwgeluk. Als ik dit aankon, was alles mogelijk.  Eenmaal uit de trein nog een laatste obstakel. Ik liet de fiets in één stuk. Je moet niet altijd alles willen plooien. Met alle kracht die ik had in mijn nog één goedwerkende arm sleurde ik de fiets de trap af. Van onderaf keek men omhoog en zag mij staan, mijn fiets fier geheven in de lucht.. Ik ben een gladiator. Ik ben een absolute held. Ik ben de hendel die geen klik zegt.  Ik ben een schijtbroek. Ik ben een weke waaghals, een geknakt stuur. Ik ben een vouwfiets.

Van de rug af gezien

Van de rug af gezien heb ik een uitzicht. En hoewel het niet spectaculair is, heb ik op zijn minst dat zicht en dat schept duidelijkheid in mijn leven: een vaal wit plafond en als ik mijn best doe om mijn blik te richten zit er nog een beetje wc-deur bij.
Van de rug af gezien is er nooit aarzeling in de richting van mijn kijken. Ik word bekeken, soms met drie, vier tegelijkertijd en reken maar dat ik gezien word.

Mijn vriend H. stelt me onomwonden die vraag: wordt jij gezien? Ik denk aan een ex-lief uit Thailand die me in gebroken Engels zei: ‘you’re like queen’. Op het begin was ik gevleid door die uitspaak, totdat ik veel later begreep dat hij iets anders bedoelde. Hij legde me uit dat er geen enkele reden was om op mij toe te stappen. Dat ik er veel te gecompliceerd uitzag. Ontoegankelijk. Ergens anders. Dus nee. Denkend aan dat voorbeeld concludeer ik dat ik al staande niet écht gezien wordt. Of wel, maar met een zweem lastigheid om mij heen. Dat geeft te denken. Van de rug af gezien word ik echt gezien. En hoe. Liggend op mijn rug bij de tandarts lig ik letterlijk in de spotlights. Er wordt ingezoomd, ik ben een gekaderd schilderijtje, mijn tanden schitteren in de hoofdrol, banale zaken worden ziekelijk belangrijk. Van de rug af gezien is mijn zicht gefilterd zonder zorgen, en wordt het leven overzichtelijk. Liggend in bed krijgt perspectief een andere dimensie. Van de rug af gezien kijk je niet achterom. Op de rug wordt alles herleid tot een beeld, een beeld te vatten in 1 blik en dat geeft rust. Zelfs de wilde gedachten die opduiken wanneer je ligt, worden vastgezet, ik kan ze aanwijzen, uitzetten, aanklikken, omarmen, wegjagen.

Het kan ook, dat je teveel gezien wordt. Dat er niet naast, maar in je gekeken wordt. Misschien was het dat, wat mijn ex bedoelde en zag hij dingen die hij liever niet wou zien. Houd ik de dingen niet op zijn plek. Gaan ze een eigen leven leiden. Is mijn boek gelezen voordat het open ligt. Dat zou betekenen dat ik wel word gezien maar dat er een teveel is zodat men weg wil kijken. Ik vraag het aan mijn lief. Zijn antwoord blijft vaag. ‘ Goh…kweenie. Maar ik zie je graag he schat’. Ja.
Laatst vertelde een ex-collega dat het echt erg was, ik op de fiets. Hopeloos onbereikbaar. Jezelf zo ongezien maken is gevaarlijk in het verkeer, zei ze. Ik in de wereld.  Van de rug af gezien heb ik de focus juist. Een gele vlek op de wand, het maakt de dingen helder en bevattelijk. Ik zie ik zie wat jij niet ziet. Een dokter buigt zich over mij. Hij kijkt, scant, checkt, zucht en ziet. Maar hij ziet mij, of toch iets van mij. Als ik sta, groeit de wereld om mij heen plots tot onmogelijke verten. Ik weet niet waar ik kijken moet, het panorama slorpt mij op.  Worden gezien is ook zelf zien. Met een wakkere blik in de wereld staan. Scherpstellen. Ik moet het leren. En dat doe ik klein en stil. Op mijn rug, kijkend naar de zon, die niemand ongezien laat.

Was die ene schoen maar stout

Al een paar dagen zijn mijn slippers de voorlopige vervangers van mijn versleten heldensokken. Die zitten allemaal in de was of er zitten gaten in. In elk geval ziet het er niet naar uit dat zij het gaan doen. Aan mijn schoenen moet ik het ook niet vragen. De neus van mijn Adidas-schoen piept verlegen uit het schoenenrek en denkt er niet aan een geste te doen. Hij rust tegen de neus van mijn vertrapte Allstars. Kom eens van die mat en durf eens wat. Dan mijn laarzen, die zich in eerste instantie lijken uit te strekken en halsreikend uitkijken naar een avontuur. Maar nee, het blijft stil en moed verstopt zich laarzendiep.
Ik zoek het ook bij vriendinnen die er mee weg lijken te lopen; een paar prachtig stoute schoenen prijken aan hun voeten. Stikjaloers ben ik. Ik wil ze ook, liefst een paar, maar eentje zou ook al goed zijn. Een  schoen die mij over drempels sleurt, een pantoffel met een eigen willetje, een regenlaars met streken, een stoutmoedige sandaal. Maar voorlopig doe ik het met mijn slippers. Ik droeg ze op reis en ik hoopte mijn onverschrokkenheid van daar mee te nemen naar hier. Ik hoopte dat ze in mijn slipper was gekropen zoals het zand van de zee. Daar droegen ze me lichtvoetig door stad en land, met zachte tred. Flipflop-vrolijkheid, en blij was ik. De eerste dagen weet ik het aan een vakantie-dip. Even acclimatiseren en ik zou dat gevoel van daar terug kunnen oproepen.  Toen bleek dat er in de tijd dat ik weg was, minstens drie vriendinnen met ongelooflijke stoere stoute schoenen waren voorbij gedenderd, kwam de oude twijfel terug. Ze zette zich stilletjes terug in mijn lijf, als een licht zeurende pijn, niet met een klap of met een dreun, ze zat daar gewoon en sloeg alles gade. Dappere schoenen waren ver te zoeken. Ik kon ze lenen, van anderen maar dan was het niet meer mijn durf en waren het niet meer mijn stappen. Mijn schoenen schuiven traag vooruit. Soms heb ik er vrede mee. Wie de schoen past, trekke hem aan. Ze horen blijkbaar bij mijn voeten en ze knellen niet. Dat schuifelen, dat ben ik, en soms zie je ook eens wat.
Maar als ik mijn blik wat verder van de grond richt, zie ik teveel dappere sokken en heldhaftig schoeisel. Mijn schoenen vallen stil en moed sijpelt uit het zachte leer.  Ze steken hun tong slechts naar me uit. Lef verstopt zich in de schoenendoos en zelfs mijn slipper wil niet meer. Ik zet ze in de gang. Bang ben ik niet, niet meer. Ik weet waar het schoentje wringt. Ik praat, ik schrijf, soms helpt het, soms niet. Er is geen verdienmodel. Ik kan geen project pitchen, nog niet. Ik heb geen stoute schoenen, al zou eentje fijn zijn. Of een halve. Ik duw de neus van mijn Adidas terug de kast in. Was die ene schoen maar stout. Misschien morgen. Of niet.

 

Broer

 

Sommige dingen kun je beter in de kast laten liggen. Of in de schuif, tussen de gestreken hemden en broeken ergens verkreukeld achterin gemoffeld. Daar blijft het vervolgens dagen of zelfs jaren liggen. Heel soms wil het wel eens dat je de lade voorzichtig openschuift. Gewoon, om te kijken of het er nog ligt, om er even aan te snuffelen, weifelend, fronsend. Om het daarna weer op te bergen, in een verfrommeld klein bolletje terwijl je weet dat het daar zal blijven liggen. Het zal niet zoek raken, zoals de sokken in de wasmachine. Het zal niet verdwijnen, niet verteren, niet geruisloos wegsluipen. Vandaag doe ik de kastdeur open en neem ik het zelfs in mijn handen, voel  eraan, wil het uitschelden, vertrappelen, bevragen en weer vergeten. Mijn broer. Hoe ondenkbaar, dat het schrijven van slechts vijf letters mij het zweet in de handen doet staan, mij het schrijven doet staken en dat het binnenkomt als een kanonslag. Mijn broer, mijn broer. Ik heb geen broer. Jawel je hebt wel een broer. Maar hij heeft je kind nog nooit gezien. Daar kan hij niks aan doen. Maar het is mijn broer. Hij kan het niet. Maar het is mijn broer. Hij kan het niet. Ik zie mijn broer na twee jaar terug op een terras. Het gaat hem niet goed. Het valt niet uit te leggen. Maar het valt hard. Ik praat. Dat we misschien eens naar een concert moeten gaan? Of zo? Muziek, dat ging bij ons, weet je nog, ik die in het ziekenhuis lag, jij gaf me een CD van Will Smith, Will Smith notabene, op mijn discman heb ik hem honderdmaal afgespeeld voordat ze me kwamen halen voor de operatie. Dat was jouw zorg voor mij, verdriet verpakt in een vierkant doosje. Mijn broer, dagboeken vol scheldwoorden, waarin ik verwenste dat hij niet bestond, tranen van boosheid huilde voor zijn gemene streken. En toch was het zijn naam die ik riep tijdens het diepe delirium na mijn narcose, hij die het eerste naast mijn bed stond, schuchter, onhandig, de woorden niet vindend, kort en sprakeloos: mijn broer. Ik zit tegenover hem en ik zoek iets van verbinding, connectie, iets wat het plots allemaal goed kan maken, de oom voor mijn kind, een lachende broer, de oom voor mijn kind. Hij kan het niet. En dus vinden we allebei dat we het eten wat we niet op kunnen, mee moeten nemen: een doggy-bag als ultiem bindmiddel, wat ons daar gaande en staande houdt. Weet je nog, in de auto onderweg op vakantie, we zongen: ‘insmeren met leverpastei en uitsmeren met een banaan’. En de vangrail, weet je nog, die noemden we de kleine wit, al wist ik nooit waarom. We zagen dingen die niet moesten, jij iets meer dan ik, pijnlijke dingen voor ergens in diepe diepe laden, mama woont hier, papa woont daar.  En soms, door oranje-roze kiertjes van onze vingers zagen wij het: de mouw van papa’s jas hing over die van mam. Twee troostende en treurende mouwen aan de kapstok in de gang. Ik vertel mijn zoon dat ik een broer heb. Dat het hem niet zo goed gaat. Een broer. Hij kan het niet. Hij kan het niet. Na het terras ga ik naar huis met mijn doggy-bag. Ik houd hem goed vast, snuffel eraan, wil het uitschelden, vertrappelen, bevragen en vergeten. Eenmaal thuis wil ik het nog een keer vastnemen voordat het teruggaat in de schuif, voordat ik het oprol en verberg en ik de woorden weer bewaar voor later. Dus sluit ik mijn ogen en denk aan alles wat niet zal zijn wat nooit veranderen zal en ik denk: ‘zo is het’. En schrijf zijn naam, zwart op wit: broer broer broer opdat ik weet dat hij bestaat. Mijn doggy-bag al verteerd en vergeten.  Leverpastei. Kleine wit. Will Smith. Mijn broer.

Grasmaaier

Tijdens een feest in de straat hoor ik iemand iets zeggen over een te grote grasmaaier voor een te kleine tuin. Ik realiseer me dat ik het zelf ben die dat zegt, hopeloos proberend sociaal aanvaardbaar te zijn voor mijn buurvrouw. Ik zie dat ze niet luistert. Terwijl ik dit zeg denk ik aan een eventuele volgende poging om aansluiting te vinden, als het al zover komt. Ik bedenk dat ik het kan hebben over planten, dat ik overweeg om mijn tuin vol plastic bloemen te zetten omdat ik geen groene vingers heb, dat eenjarige planten ook handig zijn maar wel duur, maar dat past niet zo in hun visie. Ook denk ik haar eens te vragen of we haar boormachine mogen lenen om toch de indruk te wekken dat we ook van plan zijn om zelf een keuken te installeren ook al kunnen we in werkelijkheid nog geen spijker in de muur slaan. Ik zou het ook nog over mijn nieuwe rol als voetbalmoeder kunnen hebben, omdat zo’n soort identiteit het toch altijd goed doet. Zover komt het inderdaad niet. Met een glas cola in mijn handen draal ik wat heen en weer. De rest drinkt uitbundig sangria. Ik heb intussen bij elk klein groepje al eens gestaan . Helaas ben ik niet zo snel in het opvangen van signalen. Er wordt druk gegesticuleerd, ad rem gerepliceerd. Onbeschaamd beaamd. ‘Ik ben sociaal vaardig maar niet sociaal’ omschreef mijn slimme vriendin I. het ooit. Ja, dacht ik toen. Ik ben uitgerust met een brede woordenschat, genoeg om vier straatfeesten mee te vullen en omver te lullen. Ik weet wanneer je best een onderwerp mijdt, wanneer je grasmaaiers naar boven moet halen, wanneer er wordt gekakeld, of iets wordt opgerakeld. Maar ik kan het niet. Hoe meer ik het probeer, hoe meer mij iets ontnomen wordt. Ik word neergemaaid door buurbabbels en oneliners, prietklets en tatertriestheid. Onze grasmaaier is te groot voor de tuin. Ronkend en pruttelend slorpt hij in twee minuten ons heel grasveldje op. En hij doet dat niet slecht. Met veel bravoure en lawaai legt hij de buren en de grassprieten het zwijgen op, maait hij de boel in een keer plat maar daarna is het op en klaar en oorverdovend stil. Ik verdwijn stilletjes van het toneel, en luister van achter mijn raam naar ander soort grasmaaierpraat en zelfs binnen ruikt het nog  naar groen en koffieklets. Ik kijk naar de tuin, waar mijn vriend nog steeds het gras aan het maaien is. Hij staat al drie minuten stil, het snoer in zijn handen, de deur blijft dicht want ik moet ervan niezen. De kabel ligt hopeloos in de knoop en het gras ziet er niet uit maar ik ben blij met mijn grasmaaier en mijn stille lief. Als hij binnenkomt vertel ik hem dat het niet lukte vandaag, dat het stil werd in mij, dat woorden ver en ontoereikend waren, dat zelfs dooddoeners in coma lagen. In de schuur staat de grasmaaier, ingedraaid en uit gemaaid. Het zal weer even duren voor het weer nodig is hem uit te halen. Het zal wel even  duren voordat er een spijker in de muur wordt geslagen. De volgende dag zie ik de buurvrouw op de stoep. Hoe het met de grasmaaier gaat, vraagt ze. Ik glimlach en kan het niet laten want vandaag lukt het me aardig. Dus ik antwoord dat hij wat stilletjes is vandaag. Dat hij wat vol zit. Dat hij wat prikkelgevoelig is en in de schuur aan het afkoelen is. En dat ik zal doorgeven dat ze naar hem gevraagd heeft, dat hij dat vast zal appreciëren. Ik raak op dreef.  Ze sluit de deur. Ik wandel de schuur in, laat mijn hoofd even rusten tegen het handvat van mijn maaiermaatje.

Het zal weer even duren, een nieuwe babbel met de buren.